|
Weertermen nader
verklaard.
1. Wind
Beweging
van lucht voornamelijk door verschillen in luchtdruk,
de draaiing van
de aarde en eventueel de wrijving met het aardoppervlak.
Hoe groter het
verschil in luchtdruk tussen twee plaatsen, hoe harder het waait, dus
hoe groter de winsnelheid.
Meestal gaat het om een horizontale stroming
van lucht.
De wind kent een dagelijkse en jaarlijkse gang.
In
de loop
van de dag neemt de onstabiliteit bij het aardoppervlak toe en daarmee
ook de windsnelheid.
Windsnelheid
De
windsnelheid wordt meestal uitgedrukt in meters per seconde, knopen of
kilometers per uur.
De windsnelheid wordt voor in
de meteorologische
berichtenuitwisseling bepaald over periodes van 10 minuten.
Wanneer in
het weerbericht wordt gesproken over windkracht 8 dan wordt verwacht
dat de windsnelheid
gemiddeld over 10 minuten tussen 17,2 en 20,7
m/seconde (62-74 km/uur) ligt.
Zo hoort bij elk van de dertien
klassenummers volgens de schaal Beaufort een gemiddelde.
In de
scheepvaart werkt men met knopen: één knoop komt
overeen met 0,5144
m/seconde.
Actuele informatie bij storm gaat over het 10
minuut-gemiddelde of kortdurende windstoten.
Voor
klimatologische
statistieken en vergelijking van stormen wordt gebruik gemaakt van
uurgemiddelden.
Klimatologen spreken van een zware storm wanneer de
windsnelheid ergens boven land een uurgemiddelde
haalt van windkracht
10, dat wil zeggen tussen 24,5 en 28,4 m/seconde (89-102
km/uur).
Beaufort
De
Ier Sir Francis Beaufort (1774-1857) is bekend om zijn windschaal,
bedacht in 1838 op basis de hoeveelheid zeil
die een groot schip kon
voeren bij een zwakke bries, storm of orkaan.
Uitgangspunt voor de
schaal is de druk die de wind uitoefent op de zeilen.
Pas in 1873 werd
de Beaufortschaal internationaal aanvaard en vandaag de dag is de
schaal van Beaufort een
uitgebreide dertiendelige schaal met de
gevolgen van wind op zee en boven land.
Vrijwel alle wind- en
stormwaarschuwingen worden uitgedrukt in Beaufort.
| kracht |
benaming KNMI |
benaming zeevaart |
snelheid in km/h* |
snelheid in m/s* |
snelheid in knopen |
uitwerking boven land en bij mens |
uitwerking boven zee |
| 0 |
stil |
windstil |
0-1 |
0-0,3 |
0-1 |
rook stijgt recht of bijna recht omhoog |
spiegelglad |
| 1 |
zwak |
flauw en stil |
1-5 |
0,3-1,4 |
1-3 |
windrichting goed af te leiden uit
rookpluimen |
kleine golfjes, geschubd oppervlak |
| 2 |
zwak |
flauwe koelte |
6-11 |
1,6-3,1 |
4-6 |
wind voelbaar in gezicht, weerhanen tonen
nu
juiste richting, blad ritselt |
kleine, korte golven |
| 3 |
matig |
lichte koelte |
12-19 |
3,3-5,3 |
7-10 |
opwaaiend stof, vlaggen wapperen, spinnen
lopen
niet meer |
kleine golven, breken, schuimkopjes |
| 4 |
matig |
matige koelte |
20-28 |
5,6-7,8 |
11-15 |
papier waait op, haar raakt verward, geen
last
van muggen meer |
golven iets langer, veel schuimkoppen |
| 5 |
vrij krachtig |
frisse bries |
29-38 |
8,1-10,6 |
16-21 |
bladeren van bomen ruisen, gekuifde golven
op
meren en kanalen, vuilbakken waaien om |
matige golven, overal schuimkoppen, af en
toe
opwaaiend schuim |
| 6 |
krachtig |
stijve bries |
39-49 |
10,8-13,6 |
22-27 |
problemen met paraplu's en hoeden waaien af |
grotere golven, schuimplekken, vrij veel
opwaaiend schuim |
| 7 |
hard |
harde wind |
50-61 |
13,9-16,9 |
28-33 |
het is lastig tegen de wind in te lopen of
te
fietsen |
golven worden hoger, beginnende
schuimstrepen |
| 8 |
stormachtig |
|
62-74 |
17,2-20,6 |
34-40 |
twijgen breken van bomen, voortbewegen zeer
moeilijk |
matig hoge golven, schuimstrepen |
| 9 |
storm |
|
75-88 |
20,8-24,4 |
41-47 |
schoorsteenkappen en dakpannen waaien weg,
kinderen waaien om, takken breken af, alleen zwaluwen en eenden vliegen
nog |
hoge golven, rollers, zicht wordt slechter
door
schuimvlagen |
| 10 |
zware storm |
|
89-102 |
24,7-28,3 |
48-55 |
grote schade aan gebouwen, volwassenen
waaien om,
bomen raken ontworteld, vogels blijven aan de grond |
zeer hoge golven, zee wordt wit van het
schuim,
overslaande rollers, verminderd zicht |
| 11 |
zeer zware storm/ orkaanachtig |
|
103-117 |
28,6-32,5 |
56-63 |
grote schade aan bossen |
extreem hoge golven, zee geheel bedekt met
schuim, sterk verminderd zicht |
| 12 |
orkaan |
|
>117 |
>32,5 |
>63 |
verwoestingen |
lucht is vol met verwaaid water en schuim,
zee
volkomen wit, vrijwel geen zicht meer |
*) gemiddelde snelheid in km•h−1
over 10 minuten
Windrichting
In
de meteorologie is de windrichting de richting waar de lucht
vandaan
komt.
Dus bij een westenwind komt de wind uit het westen en
gaat de
lucht van west naar oost.
De wind waait in de richting die de pijl op
de weerkaart aangeeft: bij een westenwind wijst de pijl naar het
oosten.
De windrichting wordt in de weerrapporten vermeld in
kompasgraden. 0 en 360 graden is noordenwind,
90 graden is oostenwind,
180 graden is zuidenwind, 270 graden is westenwind.
De
richting daar
tussen, bijvoorbeeld tussen zuid en west worden zuidwest
genoemd en
westzuidwest is de richting
tussen west en zuidwest.
In historische
waarnemingsreeksen wordt een nog fijnere indeling gebruikt:
west ten
noorden
betekent tussen noordnoordwest en noord.
De wind waait van hoge
naar lage druk maar door wrijving met het aardoppervlak en de draaiing
van de aarde wordt de luchtstroming iets afgebogen.
2.
Temperatuur 
De
mate van warmte (of kou) uitgedrukt in graden. Vroeger sprak
men ook
wel van het temperament. De temperatuur wordt gemeten met een
thermometer, een instrument dat in 1593 is uitgevonden door de Italiaan
Galileo Galileï (1564-1642). In de beginjaren van de
thermometer, toen
het instrument nog thermoscoop werd genoemd, bestond er nog geen
eenduidige schaalverdeling. De bekendste schaalverdelingen
zijn
tegenwoordig die van Fahrenheit en van
Celsius. Vooral in Engeland en
de Verenigde Staten wordt de temperatuur nog aangegeven in
graden
Fahrenheit, in Europa is Celsius ingeburgerd.
Celsius
De
Zweedse natuurkundige Anders Celsius (1701-1741) is vooral bekend
vanwege zijn thermometerschaal die in een gewijzigde versie nog altijd
wereldwijd wordt gebruikt. Hij zette op zijn thermometer 0° bij
het
kookpunt en 100° bij het vriespunt van water. Zijn opvolger, de
Zweedse
astronoom Strömer, draaide de getallen om en plaatste
0° bij het
vriespunt en 100° het kookpunt van water. Om verwarring te
voorkomen is
men die verdeling de schaal van Celsius blijven noemen.
Gevoelstemperatuur
In
de wind kan het kouder aanvoelen dan uit de wind, windchill genaamd.
Het warmteverlies onder invloed van de wind wordt uitgedrukt in een
soort gevoelswaarde van de temperatuur, ook wel gevoelstemperatuur
genoemd. De bekendste berekeningsmethode is die van Robert Steadman,
die uitgaat van het evenwicht tussen warmteverlies en warmteproductie
van een gezond persoon. Het KNMI vermeldt de gevoelstemperatuur alleen
als het snijdend koud is, bij gevoelstemperaturen van -15 graden of
lager. De gevoelstemperatuur geldt ook voor hitte: warm en vochtig weer
dat drukkend aanvoelt. Robert Steadman ontwikkelde daarvoor de hitte
index, waarin de warmteoverdracht tussen lichaam en omgeving is
ondergebracht. De hitte index, die geldt voor zonnig weer, wordt
bepaald uit een combinatie van temperatuur en vochtigheid.
Luchttemperatuur
Op
meteorologische stations wordt de temperatuur van de lucht volgens
internationale afspraak van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO)
gemeten in graden Celsius op een hoogte van anderhalve meter boven een
open grasvlakte. De thermometer of de sensor, waarmee de temperatuur
wordt waargenomen, staat in een wit kastje (sensorkastje) met wanden
die de vorm hebben van een open jaloezie. Daardoor heeft de wind vrij
spel, maar zon en neerslag kunnen niet tot de instrumenten doordringen.
Windchill
In
de wind kan het een stuk kouder aanvoelen dan uit de wind. Dit
verschijnsel staat bekend als windchill. Van belang is het
verlies aan
warmte (in watts per vierkante meter) door de wind en het
bevriezingsrisco. Om het voor het publiek tastbaar te maken, wordt de
windchill uitgedrukt in een getal dat vergelijkbaar is met de
temperatuur, de windchill equivalente temperatuur, in ons land
gevoelstemperatuur genoemd. Er bestaan verschillende
berekeningsmethoden, maar in de meeste landen, waaronder Nederland,
wordt gebruik gemaakt van de formule van de Amerikaan Robert Steadman.
Zijn berekening is gebaseerd op het evenwicht tussen warmteverlies en
warmteproduktie van een gezond persoon. Hij gaat ervan uit dat
de
kleding is aangepast aan de weersomstandigheden en dat de persoon in de
buitenlucht wandelt met een snelheid van bijna vijf kilometer per uur.
Bovendien betrekt Steadman in zijn berekening gegevens van de
windsnelheid, luchtvochtigheid en zonnestraling.
| Ws* |
Wk** |
|
Luchttemperatuur |
in
graden
Celsius |
|
| m/s |
bft |
|
0 |
-1 |
-2 |
-3 |
-4 |
-6 |
-8 |
-10 |
-12 |
-14 |
-18 |
| 2 |
1 à 2 |
|
0 |
-1 |
-2 |
-3 |
-4 |
-6 |
-8 |
-10 |
-12 |
-14 |
-18 |
| 5 |
3 |
|
-3 |
-4 |
-5 |
-6 |
-7 |
-9 |
-11 |
-13 |
-16 |
-18 |
-22 |
| 7 |
4 |
|
-4 |
-6 |
-7 |
-8 |
-10 |
-11 |
-14 |
-17 |
-19 |
-22 |
-26 |
| 9 |
5 |
|
-6 |
-8 |
-9 |
-11 |
-12 |
-13 |
-17 |
-19 |
-22 |
-25 |
-30 |
| 11 |
6 |
|
-8 |
-9 |
-11 |
-13 |
-14 |
-16 |
-19 |
-22 |
-25 |
-28 |
-33 |
| 13 |
6 |
|
-10 |
-11 |
-13 |
-14 |
-16 |
-17 |
-21 |
-24 |
-28 |
-31 |
-36 |
| 16 |
7 |
|
-11 |
-12 |
-14 |
-16 |
-18 |
-19 |
-23 |
-27 |
-31 |
-34 |
-39 |
| 18 |
8 |
|
-12 |
-14 |
-16 |
-17 |
-19 |
-21 |
-23 |
-29 |
-33 |
-37 |
-42 |
* Windsnelheid in meter per seconde
** Windkracht in Beaufort
Berekeningen van Steadman; referentie
windsnelheid 1,3
meter per seconde (4,7 kilometer per uur)
Voorbeeld:
iemand die met ongeveer 5 kilometer per uur loopt zal -4 graden Celsius
bij windkracht 5 ervaren als -12 graden Celsius.
3.
Luchtvochtigheid
Lucht
kan dus slechts een beperkte hoeveelheid vocht bevatten en die
hoeveelheid hangt af van de temperatuur. De relatieve vochtigheid geeft
aan hoeveel waterdamp de lucht bij de heersende temperatuur bevat, dus
hoe vochtig het is. Een waarde van 100% wijst op een maximale
hoeveelheid waterdamp: de lucht is dan verzadigd. Bij een relatieve
vochtigheid van 50% bevat de lucht bij de heersende temperatuur de
helft van de maximaal mogelijke hoeveelheid waterdamp.
Waterdamp
Water
in de atmosfeer is meestal aanwezig als onzichtbaar damp
(waterdamp).
Als er veel waterdamp in de atmosfeer zit is het zicht minder goed.
Bovendien is het bij warm weer dan drukkend warm of
benauwd. De
hoeveelheid vocht in de atmosfeer wordt aangegeven door middel van de
relatieve vochtigheid. Een andere maat is de dampdruk: de
kracht die
door de waterdampmolekulen in de lucht wordt uitgeoefend op een
vierkante meter, net als de luchtdruk uitgedrukt in Pascal
(Pa).
Relatieve
vochtigheid
Lucht
kan een beperkte hoeveelheid vocht
bevatten die afhangt van de
temperatuur. De relatieve vochtigheid is de verhouding tussen de in de
lucht aanwezige hoeveelheid waterdamp en de, bij de heersende
temperatuur maximaal mogelijke hoeveelheid waterdamp. Een waarde van
100% wijst op een maximale hoeveelheid waterdamp: de lucht is dan
verzadigd. Bij een relatieve vochtigheid van 50% bevat de
lucht bij de
heersende temperatuur de helft van de maximaal mogelijke hoeveelheid
waterdamp. De relatieve vochtigheid vertoont een duidelijke dagelijkse
gang. De laagste waarden komen overdag voor bij de hoogste temperatuur
omdat lucht dan de grootste hoeveelheid waterdamp kan bevatten. In
ons land ligt de relatieve vochtigheid midden op de dag
gewoonlijk
tussen 60 en 90%. In het voorjaar en de zomer worden de
laagste waarden
gemeten.
4.
Dauwpunt
Het
dauwpunt is de temperatuur waarbij waterdamp begint te condenseren door
afkoeling van de lucht zonder dat vocht wordt toegevoerd of
afgevoerd. Zodra de dauwpuntstemperatuur wordt bereikt is de
lucht
verzadigd met waterdamp en bedraagt de relatieve vochtigheid 100%. Denk
maar aan de bril die beslaat zodra je in een warmere vochtige omgeving
komt. Eerst is de temperatuur van de bril nog lager
dan het dauwpunt
van de lucht rond de bril, waardoor het vocht op de brillenglazen
condenseert en de bril tijdelijk beslaat.
5. Neerslag 
Wolken
bestaan uit waterduppeltjes, ijskristallen of een combinatie van water
en ijs. Als de druppels of ijskristallen door de weersomstandigheden zo
grootorden dat ze naar beneden vallen wordt dat neerslag genoemd.
Allerlei vormen zijn mogelijk: regen, sneeuw, hagel en ijzel (wanneer
de regen bij aanraking van voorwerpen of de grond bevriest). Ook dauw
en rijp (bevoren dauw) worden tot de neerslag gerekend. De intensiteit
van regen en sneeuw wordt bepaald uit het zicht.
Gemiddeld valt er in ons land jaarlijks bijna 800 mm (= liter per m2)
neerslag.
De maandhoeveelheden lopen uiteen van 44 mm in april tot 82 mm in
november. De zomer is het natste seizoen, de neerslag kan dan door
zware lokale buien van plaats tot plaats sterk verschillen. In het
voorjaar en in de zomer valt de meeste neerslag in het binnenland,
terwijl de herfst langs de kust het natst is.
Regen
Vorm
van neerslag waarbij waterdruppels uit een wolk vallen. Als de
temperatuur van de wolk en de lucht onder de wolk boven nul is bestaat
de wolk geheel uit water. Door botsing van waterdruppeltjes kunnen de
druppels verder aangroeien. Voor één regendruppel
zijn miljoenen kleine
wolkendruppeltjes nodig. Pas als de druppels groot genoeg zijn geworden
vallen ze uit de wolk en regent het. In een buienwolk die tot
grote
hoogte in de atmosfeer reikt waar het vriest bevinden zich
naast
druppels ook ijskristalletjes en onderkoelde watdruppeltjes. De
ijskristallen kunnen dan aangroeien door water
van (onderkoelde)
wolkendruppels te onttrekken (proces Wagener-Bergeron). Daardoor
ontstaan grotere neerslagdeeltjes en regent of sneeuwt het uit een bui
meestal harder.
Regenmeter
De
hoeveelheid neerslag wordt gemeten met een regenmeter, een
trechtervormig instrument, waarmee de neerslag in een verzamelbak wordt
opgevangen. De hoeveelheid regenwater wordt uitgedrukt in millimeters.
Eén millimeter regen komt overeen met
één liter water op een
oppervlakte van één vierkante meter. Valt de
neerslag in vaste vorm,
bijvoorbeeld als sneeuw of ijzel, dan wordt de neerslag door een
verwarmingselement in de regenmeter gesmolten. Eén
millimeter
smeltwater is te vergelijken met een sneeuwhoogte van
één centimeter.
6.
Barometer 
De
luchtdruk wordt gemeten met een barometer. In de meeste barometers zit
een luchtledig doosje dat afhankelijk van de drukverandering meer of
minder ingedrukt wordt. Die beweging wordt overgebracht op een
wijzerplaat, waarop de luchtdruk kan worden afgelezen. De luchtdruk is
de kracht die het gewicht van de lucht in de atmosfeer op een oppervlak
uitoefent. In de weerberichten wordt de luchtdruk opgegeven in
hectopascal (hPa). Snelle veranderingen van druk gaan meestal vergezeld
van veel wind of zijn voorbode van storm. Als de stand van de barometer
snel oploopt of daalt betekent dat vaak dat het weer gaat veranderen.
Uit onderzoek naar het verband tussen de barometerstand en het weer
blijkt dat in 80% van de gevallen een stijgende luchtdruk tot een
weersverbetering leidt en een dalende luchtdruk tot slechter weer.
Luchtdruk
Het
klinkt misschien gek, maar lucht heeft gewicht. Het is niet veel want 1
liter lucht weegt 1,3 gram. Maar het wordt toch aardig wat als je de
hele dikte van de dampkring meetelt. Een luchtkolom in de atmosfeer
vertegenwoordigt een bepaald gewicht en veroorzaakt daardoor een druk
op het aardoppervlak. Dit is voor het eerst gemeten met kwik. Een kolom
kwik van 76 cm hoog en een oppervlak van 1 vierkante cm weegt precies 1
kg. Tegenwoordig spreken we over millibar of hectoPascal (hPa), waarbij
75 cm kwik voor 1000 hPa staat. De luchtdruk varieert van plaats tot
plaats en ligt aan het aardoppervlak meestal
tussen 940 tot 1060 hPa.
In de kern van tropische stormen, zoals hurricanes kan de luchtdruk
dalen tot onder 900 hPa. Verschil in luchtdruk ontstaat door verschil
in verwarming. Hoe warmer de lucht, hoe lichter het gewicht, dus hoe
lager de druk.
|